donderdag 29 januari 2009

Onderzoeksvragen: digitaal versus analoog zinsontleden

Even een korte overweging die te maken heeft met een eigenaardig fenomeen. Althans, ik vind het een fenomeen. Het heeft te maken met digitaal toetsen.

Stel: ik toets in een 2de klas havo/vwo zinsontleden. Laat ik zeggen in 2 klassen. Ik geef een kort slootje (schriftelijke lesoverhoring) waarin ik 20 zinnen opvoer. In elke zin is een zinsdeel of een stuk daarvan onderstreept. De leerlingen moeten aangeven wat het zinsdeel is: werkwoordelijk of naamwoordelijk gezegde, onderwerp, lijdend voorwerp, meewerkend voorwerp, voorzetselvoorwerp of bijwoordelijke bepaling. (Meer niet...) Na het corrigeren - ambachtelijk handwerk - blijkt dat de leerlingen gemiddeld ongeveer 8 fouten maken per persoon.

Maar dan: ik stop precies dezelfde toets in de computer. Op Moodle of iets dergelijks maak ik hem digitaal. Ik laat de zinnen één voor één at random aan mijn proefpersoon verschijnen. Die komt uit een van de 2 parallelklassen met precies dezelfde soort leerlingen als bij toets 1. Uit de correctie - automatisch geüpload naar een spreadsheet - blijkt dat de leerlingen gemiddeld ongeveer 3 fouten maken per persoon!

Dat geeft toch te denken, vind ik. Natuurlijk is mijn onderzoek niet representatief. Het gaat me hier ook niet om dit precieze voorbeeld, maar om het principe. Collega's die Frans geven hebben iets dergelijks ook al opgemerkt. Voor mijn gevoel (gebaseerd op enkele jaren proefondervindelijke onderbouwing) is hier wel iets aan de hand: letten leerlingen beter op als een computer de vraag nakijkt? Dwingt een computer meer omdat die onverbiddelijker overkomt dan een mens?

Het is heel leuk om hier over te filosoferen en te theoretiseren. Wat gebeurt er als ik alle digitale zinnen wel tegelijkertijd in beeld breng? Wat zou er gebeuren als ik mijn analoge toets als boekje presenteer en op elke bladzijde 1 zin zet?

Het lijkt me leuk om een onderzoek hierover te beginnen. Wie wil dat gaan uitvoeren? Een leuke student?
(P.S. De illustratie heb ik op een digitaal schoolbord gemaakt en die circuleert op de elo van het Canisius College.)

maandag 26 januari 2009

Online nog even niet de toekomst?



Interessante feature in Power Unlimited nummer 2 van dit jaar: uitgevers van games wordt gevraagd naar de strategie van het aanbieden van hun waren. Op de PC, Xbox, Wii, PS3 en PSP kun je via online winkels spellen downloaden en kopen. Daarnaast kun je voor jouw schietspel extra speeldvelden, voor je racespel extra auto's en voor je avonturenspel nieuwe hoofdstukken aanschaffen. Dat klinkt veelbelovend en dat is het eigenlijk nog ook. De gamer gebruikt de webwinkel nog niet helemaal zoals de uitgevers het bedoelen.




Eerlijkgezegd, als Playstationliefhebber gebruik ik de online PlaystationStore ook nog niet echt. Als echte Nederlander heb ik alles wat gratis is natuurlijk al een keer gedownload, maar de betaalde dingen heb ik nog niet binnengehaald. De reden? Vaak vind ik de spellen nog te duur en omdat veel winkels een ruiloptie hebben (vind je het spel niet leuk, dan kun je het binnen 24 uur ruilen voor een ander spel) geef ik toch nog de voorkeur aan het analoge gebeuren.




De verwachtingen van de uitgevers zijn dat games online uiteindelijk goedkoper worden en dat tussen de 2 en 5 jaar het totale aanbod aan spellen downloadbaar zal zijn. De 'traditionele' gameshop in de straat zal wel blijven bestaan. Grappig is overigens wel dat uitgevers niet geloven in de kracht van User Generated Content, ofwel spelelementen die zijn aangemaakt door gamers, vaak door middel van bij het spel geleverde editors. De PU-redactie denkt daar heel anders over: UGC vinden zij vooral boeiend en een welkome aanvulling. Overigens, ik deel hun mening.




Onderwijs


Onwillekeurig denk ik dan aan mijn dagelijkse onderwijspraktijk, alwaar ik nog vaak goedbedoelde cd-roms nog ongebruikt uit het schoolboek zie vallen. (Of die dingen worden gebruikt als onderzetter of frisbee.) Of ik zie enige online content op de site van de uitgever die nog aan uitbreiding toe is. En als er al educatieve games bestaan, dan kan de gamer het spel meestal zelf niet uitbreiden.




Het zou goed zijn - vind ik hoor - als principes uit spellen worden overgenomen in het dagelijkse onderwijs (je kunt al level ups creëren met bord en krijt) en het zou nog beter zijn dat leerlingen het gevoel krijgen dat er een mogelijkheid is tot coöp met zijn leraar (zie mijn GALC-principe). Dus het zou eveneens goed zijn te overwegen hoe we de digitale varianten van ons onderwijs gaan aanbieden. Als uitgevers van commerciële games geloven in hun online-winkels, dan moeten we toch minimaal even luisteren. Als leraar geloof ik even hevig in de wondere wereld van het web als weg.




zondag 25 januari 2009

Kennis en canon

Kennis is een vreemd begrip. Het woord duikt te pas en te onpas op als het gaat over te-learning op school en op de werkvloer. Vaak is het mij onduidelijk waar de schrijver heen wil, als die tenminste niet duidelijk maakt over wat voor een kennis hij het eigenlijk heeft. Of je krijgt van die zinnen in de categorie: "Kennis zal nou eenmaal steeds toegankelijker worden voor iedereen en omdat alles beter opzoekbaar is, hoeven mensen steeds minder uit hun hoofd te leren." En dan wordt zo'n zin nogal eens gevolgd door: "... maar bepaalde basiskennis moet iedereen hebben." Alsof je met die laatste zin traditionalistische critici kunt bezweren.



Wat is kennis? Volgens mij: het vermogen om losse feiten te verbinden, om daarmee een samenhangend proces of product te kunnen duiden. Daarmee is kennis een belangrijk onderdeel van je hele zijn; dankzij jouw kennis kun je een duidelijke plaats innemen in een organisatie of samenleving.



Allerlei feiten moeten mensen kennen, vind ik. Ik kan me enorm ergeren aan mensen die stomme dingen zeggen, omdat ze eigenlijk beter zouden moeten weten. Maar kan ik die mensen wel verwijten dat ze uitkramen wat ze uitkramen? Veel van mijn collega's klagen over onze leerlingen; dat zij zo slecht kunnen spellen, schrijven, rekenen en redeneren. Het komt nogal eens voor dat die kinderen op de basisschool allerlei basisvaardigheden onvoldoende hebben gekregen. Die kun je dat niet kwalijk nemen, dunkt me. Middelbaar onderwijs is natuurlijk algemeen vormend bedoeld. Als kinderen niet goed genoeg zijn als ze binnenkomen, moet jij ze dubbel zo hard helpen om zich efficiënt en effectief te verbeteren.



Canoniseren, dat lijkt een hype te worden, maar ik vind dat een goede ontwikkeling. Er zijn ook goede canons voorhanden, zoals die voor literatuur, geschiedenis en betavakken - Fokke en Sukke lijken welhaast boegbeelden van de canon als verschijnsel. - Het fijne aan die canons is dat ze duidelijkheid verschaffen en dat ze - in elk geval mij - een gevoel van geruststelling geven als ik van alle onderdelen nog minimaal weet dat ik ze vroeger op school heb gehoord vroeger. Het omgekeerde werkt dus ook erg op mijn zenuwen. Dan kruip ik meteen weer achter Google.



Is mijn leven rijker met die basiskennis? Absoluut. Want op díe basis kan ik nieuwe kennis bouwen en met al die kennis kan ik komen tot een evenwichtige, genuanceerde vorming van ideeën en besluiten. Juist die basiskennis helpt mij met het goed opzoeken en onderscheiden van alle informatie die ik via Google zoek. Door mijn basiskennis - en de lagen er bovenop - kan ik concluderen of informatie plausibel is (dus aansluit bij mijn kennis) en of ik die wil opslaan op mijn hersenen of dat ik slechts de route naar die informatie hoef te onthouden. Kennis leidt tot inzicht leidt tot meer kennis leidt tot meer inzicht leidt tot nog meer...



Wat zegt dit over ons algemeen vormende onderwijs? In mijn ogen dat we vooral moeten doorgaan met die algemene vorming. Kinderen moeten een solide basis hebben van kennis, want dat maakt ze uiteindelijk doelgerichter in het verwerken van de informatie die voor hun uiteindelijke beroepspraktijk de juiste is. Tegelijkertijd zorgt historisch en communicatief besef, gecombineerd met een bepaalde mate van abstractieniveau ervoor dat een beslissing wijs en slim is. Daar geloof ik heel erg in.



Een volwassene is toch degene die dat alles moet aanbieden aan de nieuwe generaties. Tel daarbij op je rol als voorbeeld (zie mijn vorige stuk) en je leidt kinderen heel concreet op voor een leven als een verstandig mens vol zelfvertrouwen. Plus: de leerling zal zijn plek dan optimaal kunnen innemen in de grote tag cloud die de wereld nu al zo'n beetje is.



Dankzij crowdsourcing als Twitter (voeg mij toe!) kun je jouw vraag al in een groep gooien. Er is vast iemand die je antwoord kan geven. Shazam herkent muziek en geeft je de uitvoerder en componist als je je iPhone voor de radio houdt. Er zullen best gelijksoortige diensten komen die je helpen om een plant te determineren of een persoon te herkennen. Zonder een brede algemene ontwikkeling zul je niet per se uit zulke zaken halen wat er uitgehaald kan worden. Dat is zonde. Bovendien zul je zonder al die kennis van basisfeiten en -opvattingen wellicht niet de juiste (etische) keuzes maken in het gebruik van al die vernuftige nieuwigheden.



Ach, het is maar een gedachtegang...

woensdag 21 januari 2009

Nieuwe communicatie en rolpatronen

Vorig jaar laaide een hevige discussie op over het gebruik van mobiele telefoontjes op school. Niet zozeer over het bellen en sms'en, maar over de film- en fotocamera's die toen al meestal op die dingen zaten. In het middelpunt van de hitte stond een YouTubefilmpje waarop leerlingen uit het raam klommen achter de rug van een lesgevende juf. (Hopelijk geeft zij nu les op de derde etage van haar school; dan kan het raam gewoon open blijven.) De meeste reacties waren mijns inziens schrikbarend: mobieltjes werden andermaal in de ban gedaan op school.



Ik zou graag meer openheid zien in het gebruik van communicatiemiddelen op school. Vaak zijn mobieltjes, MSN en Hyves verboden zaken binnen het gebouw. Maar intussen willen we ook zo graag dat leerlingen zich verantwoordelijk gedragen via die, en dergelijke, media. Met andere woorden: wij, leraren, moeten deze nieuwe middelen omarmen. Sterker nog: ze moeten deel worden van ons onderwijs en onze opvoeding.



Alles is communicatie
Als ik een nieuwe groep leerlingen of studenten krijg, dan leer ik ze altijd eerst de 3 Gouden Regels van Wijngaards. Die heb ik ooit bedacht aan het begin van mijn loopbaan en ze blijken bijzonder houdbaar. Sterker nog, veel oud-leerlingen en -studenten blijken ze nog steeds te weten. Nu zal ik mij vooral beperken tot mijn eerste regel: alles is communicatie.

Het zal duidelijk zijn dat je nooit niet communiceert. Je zendt altijd een boodschap uit. Het komt voor dat je je niet bewust bent hoe je overkomt op iemand anders. Dan kan miscommunicatie ontstaan. Precies dat stukje elementaire communicatietheorie is enorm belangrijk in deze tijd waarin op meer manieren dan ooit gecommuniceerd wordt. Dat betekent volgens mij een grote ommezwaai in het denken van veel onderwijsmensen.

Terug naar mijn inleiding: mobieltjes zijn nu vaak verboden. Waarom gebruiken we die dingen niet om leerlingen foto- en filmopdrachten te laten maken? Stuur ze bos en hei in voor biologie of aardrijkskunde, laat ze langs oude gebouwen lopen voor geschiedenis of laat ze hun filmpje inspreken in een vreemde taal, denk ik dan.

MSN verbieden? Heb je wel eens gelezen wat ze daar typen? Ga eens een uur met een groep kinderen in een computerlokaal zitten en geef les via MSN of de chatfunctie die in je elektronische leeromgeving zit. Eén voorwaarde: ze schrijven fatsoenlijke volzinnen met deugdelijke interpunctie. Laat ze maar eens discussiëren, bewaar de chatlogs en projecteer die vervolgens later voor de hele groep op de muur om ze met elkaar te becommentariëren op inhoud en vorm! Dat vind ik leerzame lessen hoor!

We leren leerlingen nu om een goede sollicitatiebrief te schrijven, maar als hun Hyvespagina voor iedereen te zien is en er staan zaken op die bepaalde ambities niet ten goede komen, hoef je aan zo'n brief niet te beginnen. Gouden Regel 1 van Wijngaards: wat wil je uitstralen met die vrolijke bikinifoto online? Alles is communicatie: hoe kom je over op jouw toekomstige werkgever met die foto waarin je met een bezwete, rode kop een halfvol - je moet optimistisch blijven - glas bier laat zien? Met zulke vragen kun je mooie leermomenten creëren, dunkt me!

Rolpatroon
Veel collega's klagen dat jongeren ze altijd een stap voor zijn op technologisch gebied. Misschien moeten wij, onderwijsmensen, dat gewoon accepteren. Ik ben nog niet zoveel leerlingen of studenten tegengekomen die hun klungelende docent niet willen helpen. Alleen: die leraar moet die hulp wel aannemen. De rol van de alwetende spil is niet altijd meer handig voor klaslokaal of collegezaal. Ik zeg: behoud gewoon wat goed is aan je onderwijs en vul dat aan met wat je kunt gebruiken aan nieuwe technologie.

Dat betekent overigens niet dat je eindeloos powerpointjes moet maken of podcasts moet opnemen. Die worden op den duur voor iedereen saai. Je hoeft van mij jouw lessen niet 'op te pimpen' op zo'n manier als je je daar niet goed bij voelt. Van mij hoef je ook niet continu te proberen om aan alle technologische ontwikkelingen mee te doen, als je dat niet goed kunt. De wet van de remmende voorsprong zal in de meeste gevallen altijd van kracht blijven.

De verandering van het docentschap zit volgens mij vooral in een nieuwe manier van zijn als professional. De jongeren zullen je altijd voorblijven met hun gadgets en deelname aan de digitale wereld. Maar op één terrein zul jij nooit jouw voorsprong verliezen: levenservaring. Ik merk dat ik in toenemende mate bezig ben om met jongeren te reflecteren op zaken waarover zij nog niet zo goed hebben nagedacht: hun profiel, hun e-mailgedrag ("Geachte Martijn, kunt u..."", "Hee meneer, heb je ...), en überhaupt hun omgangsmanieren online en in de echte wereld.

Volgens mij ben ik steeds meer een rolpatroon die zijn leerlingen langs de valkuilen van de communicatie leidt. En hoe meer manieren waarop je kunt communiceren, hoe meer je leerlingen moet laten nadenken over mogelijke obstakels die jouw boodschap kunnen verstoren. Sinds mijn begindagen als leraar (1997-1998) verbeeld ik het begrip ruis in een verstript communicatiemodel met Megamus, een superheldvogeltje dat keihard "TJILP!" door de boodschap schreeuwt. Volgens mij hebben we in de geschiedenis van de mensheid nog nooit zoveel Megamussen op de loer gehad en dat vraagt om een groot reflectief vermogen bij de zender.

Bronnen
Veel van mijn collega's hebben moeite met Wiki's. Dat komt omdat je niet meer precies weet wie (en bij voorkeur welke autoriteit) achter het geschrevene zit. Sommige collega's verbieden (ook hier) de aan hun toevertrouwde jongeren om Wikipedia te gebruiken als bron. Ik kan mij indenken dat het een fijn gevoel geeft te weten dat een autoriteit duidelijk bewijs aanlevert voor een bepaalde gebeurtenis of stelling. Evengoed geloof ik ook in de reinigende werking van het schrijverscollectief. Een voorbeeld: als ik op een nieuwssite verneem dat een bepaalde beroemdheid is overleden check ik daarna diens beschrijving op Wikipedia als ik niet precies meer weet wie die was. Tot nog toe heb ik in alle gevallen meegemaakt dat de sterfdatum al was ingevuld en dat de biografie al was aangepast. Fouten zullen meestal ook met vergelijkbare snelheid worden vervangen door feiten, neem ik aan. Tegelijkertijd betekent dat crowdsourcing het traditionele idee van copyright veranderd. Daar moeten we allemaal mee leren omgaan.

En ook Wiki's bieden voor leerlingen een ideale manier om collectieve kennis op te slaan. Het ontstaansproces van de Wiki zal per definitie in de volgorde gaan waarin de docent de leerstof aanbiedt. Zet dat maar eens tegenover de oefeningen in het werkboek die in de beleving van de docent snel zijn afgeraffeld thuis.

Vertrouwd
Er staan ons ongetwijfeld nog veel technologische vernuftigheden te wachten die onze leerlingen onmiddellijk zullen aangrijpen om mee te communiceren. Ook die zaken zullen we moeten omhelzen, wetende dat wij volwassen zijn en dat wij samen met de jongere de mogelijkheden zullen moeten aftasten. Daarbij probeer ik altijd dicht bij mezelf te blijven: "Op mij kom je zo over als je ...", "Ik heb het gevoel dat je ..." Zulke ik-boodschappen horen gelukkig bij een vertrouwd repetoire voor elke docent. Met elke welwillende leerling of student (en dat is toch de overgrote meerderheid) zal je daarmee een goed gesprek kunnen beginnen.




zondag 18 januari 2009

Pleidooi: goede verteller laten vertellen

Misschien ben ik wel wat ouderwets als ik het onderstaande ga zeggen, maar dankzij Wilfred Rubens (bedankt!) - en twee gedachtensprongen - kom ik op het idee om een van mijn eerste onderwijsprincipes voor het voetlicht te brengen. Ofwel: hier komt mijn pleidooi voor een goede verteller.

Mijn favoriete leraar op de lagere school, De Biezenkamp in Beek-Ubbergen, heette Frans Hilgers. Ik kan mij zijn verhalen nog precies herinneren over hoe hij op 22 februari 1944 vanaf het dak van een huis stond te kijken hoe Nijmegen werd gebombardeerd. Ook weet ik nog hoe hij vertelde over zijn reis naar Nederlands-Indië en welke Zuid-Afrikaanse liedjes hij toentertijd heeft leren zingen. En God, ik kan mij zelfs precies voor de geest halen wat hij over Karel de Grote meldde en het toenmalige Numaga.

In het eerste jaar van mijn middelbare schooltijd (Canisius College-Mater Dei te Nijmegen) kreeg ik Arnold Wolf voor geschiedenis. Die man heeft nogal eens zijn colbert uitgetrokken om op zijn tafel, met een bordlineaal menige veldslag opnieuw te voeren. Mijn vader, die ook les van hem heeft gehad) meldde dat Wolf dit van begin af aan zo heeft gedaan.

Oh, en dan vergeet ik nog zoveel andere goede mensen te noemen die mij wisten te boeien met hun verhalen. De echte goede uit mijn verleden als leerling of student zijn met name Jo Dautzenberg, Fer Boshouwers, Richard Boshouwers (neven overigens), Joos Horstink, André Hanou en Ben Luderer. Die mensen hebben in belangrijke mate als beroepsmatig voorbeeld gediend.

Hoewel bovenstaande sprekers enorm van elkaar verschillen hebben ze wel enkele zaken gemeen. Zij hebben mij mede geïnspireerd om ook goede verhalen te willen vertellen en om zo veel mogelijk te weten. Ik heb ooit ergens gelezen dat een mens slechts 20% onthoudt van wat hij hoort. Hoe komt het dat ik bij een goed, mooi verteld verhaal het gevoel heb dat dat meer is? Volgens mij zijn dat voorwaarden waaraan een goede verteller moet voldoen:



  • Allereerst zijn ze gepassioneerd over het onderwerp waarover ze vertellen. Die passie slaat over op hun toehoorders omdat er geen concessies worden gedaan: wat zij te vertellen hebben is op dat moment het allerbelangrijkste.

  • Vervolgens weten deze mensen buitengewoon veel over hun vakgebied. Zij staan zo vreselijk hoog boven de stof dat jij als toehoorder na afloop een soort 'knockoutgevoel' hebt: die persoon lijkt nooit uitgepraat. Bij Herman Pleij heb ik dat gevoel ook altijd.

  • Ze kunnen een verbinding maken met jou: als je iets niet begrijpt, gebruiken ze dat als beginsituatie. Hun onderwerp is leuk en belangrijk, dus je móet en zult hun verhaal meekrijgen.

  • De persoon zelf is eigenzinnig. Hun passie maakt ze in de ogen van de toehoorder wat excentriek. Het komt voor dat deze mensen daardoor zelfs uitgesproken tegenstanders hebben omdat ze zo duidelijk uitkomen voor hun keuzes.

Een goede spreker is onmisbaar voor elke laag van onderwijs. Het zou een goede school, opleiding of instituut sieren als ze mensen die juist deze kwaliteit bezitten zouden inzetten om vooral te vertellen. Mijns inziens worden in een ideale organisatie ieders competenties optimaal benut: mensen die goed kunnen coachen moet je vooral laten coachen, adviseurs moeten adviseren, organisatoren moeten organiseren, programmeurs moeten programmeren en ontwerpen en vertellers moeten hoorcolleges geven. Niet iedereen kan alles even goed en op die manier hoeft dat ook niet. (En té vaak moeten op veel scholen en opleidingen nog iedereen hetzelfde doen...)


Ofwel, alle moderne technologieën ten spijt; niet iedereen zal er even goed mee overweg kunnen of er altijd mee willen werken. Dat geldt natuurlijk net zo goed voor toehoorders, leerlingen en studenten. Maar als in een team alle hierboven beschreven soorten onderwijzer een goede plek heeft, moet het onderwijs zeker de moeite waard zijn. Tenminste, als deze mensen afwisselend aan hun publiek worden voorgeschoteld. Die zullen niet te klagen hebben over variatie aan werkvormen. Ze zullen worden gecoacht, ze moeten samenwerken, ze zullen wellicht gamen, maar dus ook - 'gewoon' - moeten luisteren. Sommige stof laat zich het beste presenteren door een goede verteller.


Tot slot: vertellers, omdat de meeste jongeren in toenemende mate visueel zijn ingesteld, raad ik je aan om een digitaal schoolbord te gebruiken. In mijn lessen mag ik graag daarmee werken. Je bent altijd welkom om bij mij te kijken hoe ik dat gebruik.



vrijdag 16 januari 2009

Serious gaming en onderwijs en training

Educatieve computerspelletjes, of serious games, zijn er volop. Toch worden ze nog niet overal gebruikt en vaak slechts als aanvulling op het curriculum. Vooral in onderwijsland is er nogal wat terrein te winnen. Echter, het bedrijfsleven lijkt gaming steeds meer te omhelzen. Niet dat het spelen van spelletjes komt in plaats van alle oude leervormen, maar het kan wel vaak worden gebruikt.


De nieuwe generatie jongeren (zeg maar ongeveer vanaf mijn geboortejaar - 1976- tot iedereen daarna, maar vooral de kinderen van 1990 en later) leren in hoge mate anders dan hun ouders: zij leren intuïtiever, vanuit verschillende perspectieven en sneller. Zij kijken eerst naar plaatjes, dan naar tekst, zullen eerder communiceren en samenwerken als ze een vraag hebben en meestal doen ze er nog één of twee dingen naast. Het belangrijkste verschil is volgens mij dat jongeren van nu in hogere mate leren zien als fun, terwijl hun ouders hebben geleerd dat leren werk is.

In principe moet je vaststellen dat een mens niets leert van onderwijs op zichzelf. Onderwijs is een complex communicatief gebeuren, terwijl leren een interne aangelegenheid is. Leren heeft alles te maken met persoonlijke groei. Leren vindt dan ook pas plaats als een mens betrokken is bij hetgeen die zich wil eigen maken.


Betrokkenheid is voor mij niet alleen het grote kernwoord bij onderwijs, opleiding en opvoeding; het is ook de belangrijkste reden waarom je als opleider kiest voor serious gaming. Wanneer vooral? Als de lesstof praktisch en complex is, meerdere leerstijlen behelst die actief maar impliciet moeten worden toegepast én er vooral sprake is van beleving bij de gamer.


Het is genoegzaam bekend dat mensen die als kind veel hebben gegamed grotere vaardigheden hebben op het gebied van beslissingen nemen, oog-handcoördinatie, samenwerken, strategisch denken, reactievermogen en problemen oplossen. Deze doelgroep doe je een groot plezier met een serious game, al hoeft plezier niet de hoofdreden te zijn om iemand leerstof via zo'n spel aan te bieden.


Een belangrijk onderscheidt wordt momenteel gemaakt tussen de hardcore gamer en de casual gamer. De eerste soort betreft de mensen die langdurende, complexe spellen doen die een ingewikkelde bediening hebben. Het is eigenlijk jarenlang de doelgroep geweest van de meeste gamemakers en van deze groep is de meerderheid jong en man. Een casual gamer ben je al, als je snel even Patience speelt op je pc of - in de ogen van veel hardcore gamers - als je een Wii of een Nintendo DS bezit. Opvallend is dat de laatste doelgroep het grootst is en bijna net zoveel vrouwen als mannen omvat van alle leeftijdscategorieën. Plus: de geschiedenis leert dat elke succesvolle gameontwerper rekening heeft gehouden met vrouwen.


Een goede game voldoet aan wat ik - gemakshalve - het GALC-principe noem. De voorwaarden zijn de volgende:


Gameplay
De bediening van een game moet niet te complex zijn. De Wii is niet voor niets de meest populaire console bij de meest uiteenlopende mensen, want nog nooit was een controller zo gemakkelijk te bedienen voor zoveel ingewikkelde handelingen. Maar ook het spel zelf moet goed kloppen: figuurtjes moeten goed reageren op de bestuurder en de gamer moet niet gefrustreerd worden door nodeloze, ophoudende puzzels die losstaan van het spel.



Accessibility
In principe moet het spel snel toegankelijk zijn voor de gamer. Iedereen moet snel kunnen instappen. Ook bij simulatiespellen voor specialisten geldt dit: zij moeten hun kennis en vaardigheden meteen kunnen gebruiken en niet gefrustreerd raken door een onredelijke moeilijkheid van de game.



Level ups
Het spel moet bij voorkeur bijhouden dat je beter wordt naarmate de (speel-)tijd vordert. Je hebt hierbij verschillende opties: je kunt de score bijhouden in een klassement en aan die score een niveau ophangen (beginner, gemiddeld, pro), je kunt de speler belonen met virtueel geld of virtuele spullen om diens poppetje mooier of beter te maken óf je geeft de speler toegang tot nieuwe rondes die gesloten zijn voor mensen van een lager niveau.



Coop
De gamer moet alleen een wereld kunnen betreden, maar ook samen met iemand anders. Dan hoeft er niet per se tegen elkaar gestreden te worden, het is ook goed om samen een missie te volbrengen. Op die manier kun je allerlei competenties aanspreken. Daarnaast wil de gamer zelf graag inspraak hebben op de game zelf. De Web 2.0-mens is in toenemende mate een prosumer, dus het is belangrijk dat er om het spel een structuur bestaat waar deelnemers onderling, maar ook naar de gamemaker kunnen communiceren over het gespeelde. Dit betekent overigens ook dat je als producent een goed marketingoffensief om een game moet bouwen; als niemand het spel doet, creëer je geen goede coop.



Wanneer is een game goed? Als je die vraag stelt sta je meteen voor een open deur: als je als opleider je doel bereikt. Maar de grote toppers zijn verslavend, hebben een grote herspeelwaarde en kunnen volledig op zichzelf staan. De grafische uitvoering is daarbij niet per se doorslaggevend, maar sommige spelconcepten laten zich niet uitvoeren in een lage beeldresolutie. Hieronder geef ik voorbeelden van enkele educatieve games. Zou het het neusje van de zalm zijn?


Koninklijke Luchtmacht: Base-X
Arbomasters:
Masters of Makeover
Projectmanagement: Sharkworld

donderdag 15 januari 2009

Wario Ware: leerzaam voor ons onderwijs?

Het onderstaande artikel gaat niet over ingewikkelde clouded manieren van leren. Noch gaat het over samenwerkend leren of het samen aanleggen van wikiachtigheden. Mijn idee van vandaag gaat over een eenvoudig, maar briljant gameconcept van Nintendo. Ik denk dat elke docent, trainer of manager hiermee zijn voordeel kan doen.

Sinds de dagen van de Commodore 64 ben ik een fervent gamer. De Gameboy heeft ervoor gezorgd dat ik een liefhebber ben geworden van handheld gaming. Vorig jaar wilde ik een opvolger voor mijn GBA SP en toen (en nu) waren er eigenlijk maar twee serieuze keuzes op de markt: de PSP (Playstation Portable) van Sony en de DS (Dual Screen) van Nintendo. Omdat ik met de PSP ook gemakkelijk foto's, films en muziek tot me kon nemen en hij vrij aardig kan internetten (WiFi) is die handheld uiteindelijk in mijn tas beland.

Toch is de Nintendo DS het apparaatje dat voor een kleine revolutie heeft gezorgd. Het touchscreen onder heeft gamen gemakkelijker gemaakt voor mensen die dat weinig of nooit deden. In combinatie met de Wii heeft Nintendo een hele nieuwe 'blauwe oceaan' gevonden vol ongevangen vissoorten.
Sinds de DS en de Wii wordt er zelfs onderscheid gemaakt in twee types game: casual en hardcore. Games van het laatste type zijn de games met complexe controls of met lange missies of verhaallijnen, de eerste soort games zijn de games die ook snel zijn te spelen en de relatief vlug te beheersen zijn. Met casual games heeft Nintendo vrouwen en senioren aan zich weten te binden.

Nintendo is van alle gameontwikkelaars onbetwist het bedrijf met de meeste vernieuwende ideeën. Bovendien zorgt de cartoony huisstijl ervoor dat ook kleine kinderen Nintendospellen kunnen doen, zonder ouderlijk toezicht. Dit zijn toch ideale ingrediënten voor educatieve spellen of Serious games?

Een voorbeeld: ik geef Nederlands op het Canisius College in Nijmegen. Als ik in de bovenbouw van het vwo aan de vaderlandse literatuurgeschiedenis begin, moet ik mijn leerlingen het christendom uitleggen. Dat moet omdat een meerderheid van hen er ten eerste niets meer van weet, maar ook omdat ze zonder die kennis allerlei symboliek van middeleeuwse verhalen niet doorzien. Ik doe dat nadrukkelijk niet om de kinderen te bekeren, integendeel, en dat zeg ik er ook bij. Onze literatuurgeschiedenis begint in de Middeleeuwen en in die tijd (zeg voor het gemak de 11de eeuw) was het christendom de dominante religie in deze contreien. De spoedcursus christendom geef ik in één korte les: op mijn digitale schoolbord schrijf ik een ouderwets rijtje christelijke feestdagen dat begint met Kerstmis, Driekoningen, carnaval en dat eindigt met Hemelvaart en Pinksteren. (Altijd gaat er wel een kluifje omhoog: "Meneer, u vergeet Koninginnedag!") Deze kalender biedt een kort overzicht van Jezus' tournee door het Palestina van die dagen. De volgende les moeten de leerlingen dit van mij uit hun hoofd kennen, maar dat vinden veel kinderen moeilijk en niet leuk om te doen. Dan is leren immers werken en voor veel normale pubers klinkt dat weinig verheffend.

Een ander voorbeeld: op mijn oude GBA ben ik lang verslingerd geraakt aan Wario Ware Inc. Deze game bestaat uit korte, snelle minigames waarin je binnen luttele seconden moet beslissen wat je moet doen om het ook meteen te doen. Het spelidee laat zich relatief gemakkelijk kopiëren, getuige het - commerciëel geflopte - HotPixel voor de PSP. Plus het belangrijkste: voor de gamer zijn snel en concreet level ups te halen. En vrijwel iedereen die gamet, gamet graag verder voor een level up.



Vroeger heb ik wel eens Franse woordjes geleerd met flitskaarten. Dat soort activiteiten kunnen natuurlijk al lang online, maar die werkvormen zijn vrij saai. Bepaalde zaken die je moet instampen moeten toch met het Wario Ware-principe kunnen worden geoefend en getoetst?

Hieronder enkele ideeën van mij voor het aanleren van feitenkennis omtrent het christendom. Het tweede plaatje is niet bedoeld om gelovigen te shockeren; digital natives zijn in ernstige mate visueel ingesteld en als ze dit plaatje memoriseren met aswoensdag ben ik geslaagd in mijn doel.

woensdag 14 januari 2009

Internet people

Onderstaande video is heel Web 2.0: iedereen die de nodige uurtjes op YouTube en dergelijke kanalen heeft gezeten herkent alles wat wordt getoond en bezongen. Het interessante is natuurlijk dat het hier gaat om een stuk internationaal cultuurgoed, doch erg Westers georiënteerd. Geniet ervan!


De multimediale jongere en diens opvoeders

"Kinderen van tegenwoordig concentreren zich zo slecht!" "Praktische opdracht maken? Ze roven alles bij elkaar!" "Ze lezen zo slecht, die kinderen!" Een greep uit wat tegenwoordig door ouders en leraren wordt geroepen over de jongeren en kinderen van nu. Zijn kinderen van de net generation echt zoveel anders dan wordt beweerd? Welnee! Niet wezenlijk. Net als hun ouders dat waren, zijn zij wel typische kinderen van hun tijd. En dat vergt wat aanpassingen van de generatie boven hen.
De huidige generatiekloof is een digitale. Waar ouders hun e-mail nogal eens uitdraaien, nooit chatten, niet meteen Googlen bij een vraag of denken dat het echte leven alleen offline plaatsvindt, surfen, chatten, sms'en en gamen hun kinderen er lustig op los. Sterker nog, alle jongeren en kinderen die nu op de middelbare school zitten kunnen zich niet echt meer een voorstelling maken van een leven zonder ICT.
Marc Prensky noemt dat het verschil tussen digital immigrants (ouders) en digital natives (hun kinderen).
De belangrijkste verschillen tussen de jongeren en hun opvoeders zijn in het algemeen dat kinderen gewend zijn om met andere snelheden om te gaan. Een kind weet niet beter dan dat informatie snel en divers tegelijkertijd op hem afkomt. Daarin zal het sneller keuzes maken dan zijn ouders. Een digital native zal snel de basisvaardigheden beheersen van een controller of van een digitaal apparaat, terwijl de immigrant de handleiding eerst zal doornemen. Bovendien zal een native eerst naar plaatjes kijken in plaats van naar tekst, zal een native sneller op allerlei multimediale manieren communiceren met anderen en zelfs gewend zijn om de hele dag online te zijn voor anderen.


Het belangrijkste verschil vind ik de opvatting over leren. Voor een digital immigrant is leren zoiets als werken: het moet en het is niet altijd leuk. Een native leert vooral als er sprake is van een spelelement. Ofwel: leren moet leuk zijn. Overigens, het geldt voor elk mens dat die pas leert als hij zich betrokken voelt bij het onderwerp.
Ik zal een aardig voorbeeld geven van een aantal jaar geleden: in een 3 havo-klas had ik een meisje zitten dat een hekel had aan geschiedenis. Ze vond het boek saai, de leraar saai en het idee saai dat je van alles moest reproduceren tijdens een toets. Tot mijn grote verbazing wist het meisje wel enorm veel van
keizer Frederik Barbarossa. Niet vanuit het schoolboek, maar via de toen populaire game Age of Empires II. Toen heb ik mijn collega getipt dat zij daar maar eens iets mee moest gaan doen. Met haar speciale werkstuk heeft zij haar plichtmatige 6 opgehoogt. Bleek die leraar toch mee te vallen en kon ze toch iets doen met haar kennis.

Veel kinderen vinden gamen leuker dan lezen. Onderzoeken naar deze trendverschuivingen duiken nogal eens op en eigenlijk zijn die een beetje raar. Gamen is namelijk niet goed te vergelijken met lezen. Lezen is passiever: de lezer interpreteert waar de gamer mee vormgeeft, de gamer kiest, is ondergedompeld een dynamisch proces met een einde dat niet per se vaststaat. Een boek is statisch en alleen object. De laatste jaren is gamen ook een communicatief gebeuren. Een boek blijft eenzijdige communicatie van de schrijver naar de lezer.
Zijn boeken passé? Natuurlijk niet, maar ze zijn anders. Gamen is gewoon ook leuk. Kunnen kinderen niet beter buitenspelen? Ach, vroeger heb ik heel wat uurtjes doorgebracht achter onze Commodore 64 en later onze Amiga. Daar heb ik nu - als professional - veel baat bij. Als ik echter alleen maar achter de computer had gezeten hadden mijn ouders wel ingegrepen. Maar dat hoefde niet: ik heb veel buitengespeeld en ook veel gelezen. Kortom, ik verbeeld me in dat opzicht erg normaal te zijn. Met andere woorden: doe alles wat je doet in de juiste proporties.
Wel blijkt uit
onderzoek dat je van gamen dingen leert: je besluitvaardigheid en reactievermogen versnellen, je oog-handcoördinatie, strategisch inzicht en probleemoplossend vermogen worden beter en - tegenwoordig - leer je ook nog eens om goed samen te werken in diverse groepen. Ga daar maar eens aanstaan.

Multimedia maken het voor jongeren van nu mogelijk dat zij meer betrokken zijn bij wat ze doen. Door online te zijn vergroot je je sociale vaardigheden, kun je informatie delen en ben je vaak empirisch bezig allerlei voorwaardelijke vraagstukken op te lossen. Dat kan niet verkeerd zijn. Maar moeten opvoeders en docenten alles maar briljant vinden van de digital natives?
Nee! Er liggen allerhande uitdagingen in het leren en verwerken van grote gehelen, het langdurig uitpluizen van ingewikkelde zaken en de omgang met copyright. Bovendien is internet niet altijd veilig en weet niet iedereen altijd wat kinderen en jongeren uitspoken in de virtuele wereld. Het kernwoord blijft echter betrokkenheid. Die betrokkenheid moet wederzijds zijn.
Ouders en onderwijzers, sluit aan bij de (digitale) wereld van jongeren, leer jongeren omgaan met (digitale) bronnen, laat jongeren samenwerken en geef ze geregeld een level up. Doe aan datamanagment met je kinderen en betrek ze bij hun eigen veiligheid online.
Het bovenstaande zet ik uitgebreid uiteen in mijn lezing 'De multimediale jongere'. Daarnaast ga ik in op vraagstukken als hoe je je kind extra uitdaging geeft, welke console geschikt is voor wie en welke leerzame games er te koop zijn. Bovendien beantwoord ik alle vragen die worden opgeroepen bij de lezer van dit stuk.